Studie & Ontwerp van Elektrische Installaties

Rubbrecht Gert

AREI art. 70

HOOFDSTUK II : BESCHERMINGSMAATREGELEN

DEEL 1 : Bescherming tegen elektrische schokken

C. Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

2. Aardverbindingen, beschermingsgeleiders, aardgeleiders en equipotentiale verbindingen

 

 

Art. 70 : Beschermingsgeleiders bij laagspanning

 

01. Aard van de geleiders

 

Als beschermingsgeleiders mogen gebruikt worden :

- onafhankelijke geleiders;

- geleiders die zich in dezelfde leiding bevinden als de actieve geleiders van de installatie, voor zover zij op dezelfde wijze ge´soleerd zijn als de andere geleiders;

- al dan niet ge´soleerde metalen mantels of schermen van leidingen waarvan de geschiktheid in dit opzicht erkend wordt door de regels van goed vakmanschap. Het betreft hier in het bijzonder de buitenmantel van de gepantserde leidingen met minerale isolatie alsook de buizen, op voorwaarde dat de desbetreffende regels het voorzien. Zij mogen slechts gebruikt worden als beschermingsgeleider van de stroombanen waarvan ze deel uitmaken en de bekomen elektrische continu´teit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

- metalen omhulsels van vooraf vervaardigde leidingen indien zij gelijktijdig voldoen aan de volgende voorwaarden :

a) hun elektrische continu´teit moet verzekerd worden bij het vervaardigen en door middel van degelijke verbindingen;

b) hun elektrische continu´teit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

c) andere beschermingsgeleiders moeten erop aangesloten kunnen worden;

- delen van omhulsels van in de fabriek vervaardigde schakelľ en verdeelinrichtingen, in de mate dat de desbetreffende regels het toelaten en mits eerbiediging van voornoemde voorwaarden a, b en c;

- geleidende delen, zoals metalen gebinten, frames van machines en heftoestellen evenals waterleidingen van een privaat en onafhankelijk verdeelnet, wanneer zij geen deel uitmaken van installaties waarin de nulgeleider en de beschermingsgeleider dezelfde zijn (TN-C net) en wanneer zij terzelfdertijd voldoen aan volgende voorwaarden :

a) hun elektrische continu´teit moet verzekerd worden door constructie of door middel van gepaste verbindingen;

b) hun elektrische continu´teit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

c) zij mogen niet losgekoppeld worden zonder vervangende maatregelen toe te passen.

 

In huishoudelijke en gelijkaardige elektrische installaties mogen uitsluitend koperen beschermingsgeleiders gebruikt worden. Zij zijn zoveel mogelijk ge´soleerd.

 

02. Minimumdoorsnede van de geleiders

 

De minimum doorsnede SP van de beschermingsgeleider, in mm▓, moet tenminste gelijk zijn aan de waarde gegeven door de volgende formule :

 

 

 

 

 

Daarin is

I : de effectieve waarde van de foutstroom, in ampŔre, die door het beschermingstoestel kan vloeien bij een fout met een te verwaarlozen impedantie. Er moet rekening gehouden worden met het begrenzingsvermogen van het beschermingstoestel;

t : de werkingstijd, in seconden, van het onderbrekingstoestel, met een maximumwaarde van 5 seconden;

k : is een constante, waarvan de waarde afhangt van de aard van het metaal van de beschermingsgeleider en van zijn isolatie.

 

De verschillende k-waarden voor beschermingsgeleiders zijn vastgesteld, bij besluit, door de Ministers die respectievelijk Energie en Arbeidsveiligheid onder hun bevoegdheid hebben, en dit ieder voor wat hem betreft.

 

Het toepassen van de voornoemde formule voor het bepalen van de waarde van SP is niet noodzakelijk indien de doorsnede van de geleiders beantwoordt aan de voorschriften van volgende tabel :

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wanneer de toepassing van deze regel tot een niet genormaliseerde waarde leidt, moet een geleider gebruikt worden met een genormaliseerde doorsnede die het dichts SP benadert.

De aldus vastgestelde waarden gelden slechts indien de beschermingsgeleider uit hetzelfde metaal zijn vervaardigd als de actieve geleiders. Indien dit niet het geval is moet de doorsnede van de beschermingsgeleiders zo bepaald worden dat hun geleidingsvermogen gelijkwaardig is aan dit, verkregen door toepassing van de minimumdoorsnede van de beschermingsgeleider zoals deze bekomen wordt door toepassen van de tabel.

 

Wanneer de beschermingsgeleider geen deel uitmaakt van de voedingsleiding moet zijn doorsnede SP ten minste gelijk zijn aan :

- 2,5 mm▓ wanneer hij mechanisch beschermd is;

- 4 mm▓ wanneer hij mechanisch niet beschermd is.

 

03. Het merken van de geleiders

 

Wanneer de beschermingsgeleider, die al of niet deel uitmaakt van de kabel, voorzien is van een isolatie moet deze een geelgroene kleur hebben zoals voorgeschreven in de door de Koning gehomologeerde norm.

Het merken met deze kleur van een geleider van de vlakke snoeren, met 3 geleiders en zonder bijkomende mantel, is niet noodzakelijk. In dit geval vervult de middelste geleider de functie van beschermingsgeleider, indien de beschouwde stroombaan een beschermingsgeleider bevat.

Bij de voorgebundelde leidingen, waarvan de isolatie weerstaat aan de weersinvloeden, mag het merken gebeuren op een andere manier dan door kleuring.

Wanneer de leidingen van zulk een type zijn dat het onmogelijk is ze te voorzien van een isolatie met geel-groene kleur, zoals bij distributieleidingen van het type EAXVB en EXVB, dan mag de aanduiding van de beschermingsgeleider gebeuren met een andere kleur dan de geel-groene, op voorwaarde dat ze niet blauw is en verschilt van de enige kleur van de fasegeleiders.

 

04. Het installeren van de geleiders

 

De beschermingsgeleiders moeten voldoende beschermd worden tegen mechanische en chemische beschadiging en elektrodynamische krachten.

De verbindingen moeten verwezenlijkt worden op een veilige wijze en volgends de regels van goed vakmanschap.

 

05. Elektrische continu´teit

 

Behoudens andersluidend voorschrift, mag geen enkel scheidingstoestel zoals smeltveiligheid, schakelaar of scheidingsschakelaar worden aangebracht in de beschermingsgeleider.

Om de meting van de spreidingsweerstand van de aardverbinding mogelijk te maken, is het noodzakelijk een onderbrekingsinrichting te voorzien zoals een klem of strip, die slechts met gereedschap losgemaakt kan worden.

 

06. Verbinding van de beschermingsgeleiders met het elektrisch materieel

 

Elektrische machines en toestellen van de klasse I moeten voorzien zijn van een klem waaraan de beschermingsgeleider kan verbonden worden.

Het is verboden de beschermingsbaan te onderbreken bij het wegnemen van een elektrische machine of toestel.

 

 

 

Doorsnede van de geleiders van de installatie

(S in mm▓)

Minimumdoorsnede van de beschermingsgeleider

(SP in mm▓)

S 16

S

16 < S 35

16

35 S

0,5 S